1852: EEN NIEUWE DIJK IN HARDINXVELD

Dick de Jong
uit: reeks over de waterstaat in Hardinxveld-Giessendam

In 1852 werd in het westelijk deel van Hardinxveld een nieuwe dijk aangelegd. Deze liep van waar nu de kruising van deze straat met de Talmastraat is (ongeveer 300 m boven dijkpaal 39) tot aan een keersluis ter hoogte van Restaurant Kampanje (dijkpaal 43 in Buitendams). De dijk kwam dus geheel op Hardinxvelds grondgebied te liggen. De keer-sluis was nodig om de Giessen bevaarbaar te houden voor de scheepvaart. In de volks-mond heette deze dijk ‘het dijksie’. Deze dijk moest het centrum van het dorp beveiligen tegen hoge vloeden. Dit gebeurde door bij hoog water de keersluis tussen Buitendams en de Peulen te sluiten.
De reden van de aanleg van deze nieuwe dijk moet worden gezocht in de noodzaak tot het verhogen van de rivierdijken. Dit zou voor de bewoners van de centra van Hardinx-veld en van Giessendam grote gevolgen hebben. Bij veel regenval zou het water vanaf de verhoogde dijk de daaraan gebouwde woningen en winkels instromen. Ook moesten de stoepen ter plaatse verdwijnen en alle toegangsdeuren zouden moeten worden ver-hoogd. Dat zou heel veel trammelant geven.

Kaart van rond 1900. De nieuwe dijk loopt in het midden van rechts (de Peulenstraat) naar Links (de keersluis).
De keersluis, met op de voorgrond het zwembad. Ter hoogte van dit zwembad ligt nu de Hagibrug.
Foto dateert van rond 1910.

Een door de burgerij ingestelde Commissie van Belanghebbenden ging op zoek naar een alternatief. Samen met een Commissie van Voorvallende Zaken vanuit het Hoogheemraadschap kwam men op het idee van de aanleg van een extra dijk. Daarmee werd voorkomen dat de oude bestaande dijk een probleemgebied werd, want verhoging daarvan
kon achterwege blijven. Die aanleg gebeurde door en voor rekening van het Hoogheemraadschap.
De aanwonende belanghebbenden moesten als tegenprestatie wel de gronden waar de nieuwe dijk kwam te lopen alsmede de hiervoor benodigde grondmaterialen kosteloos ter beschikking stellen.
Daarnaast dienden zij gezamenlijk gedurende een periode van vijf jaar jaarlijks een bedrag van 3.850 gulden betalen voor de aanleg en het onderhoud van de achter Buitendams te maken keersluis.

De functie van deze nieuwe dijk kwam in 1940 te vervallen nadat in de oorlogsjaren rijks-weg 15 (nu A15) werd aangelegd en in dat jaar opengesteld voor het verkeer. Deze snel-weg liep over een nieuw aangelegde dijk die het hele Peulengebied afsloot van de rivier de Merwede en dus ook hoge watervloeden tegenhield. In de rijksweg werd een sluis aangelegd zodat schepen de Giessen op konden varen.
In 1948 werd het eerste stuk van de dijk afgegraven om de grond elders te gebruiken. In 1953 is de rest van de dijk afgegraven en is de vrijkomende grond gebruikt om de bij de watersnood ontstane gaten in de dijk in Sliedrecht en Papendrecht te dichten. Wat niet nodig was bleef als een grote hoop grond ter plaatse achter en werd decennia later ver-plaatst naar de rotonde tegen Sliedrecht.

Dijkdoorbraken en wielen

Dick de Jong
uit: reeks over de waterstaat in Hardinxveld-Giessendam

Tenminste 33 keer heeft de Alblasserwaard te lijden gehad van een overstroming. Vele malen meer was er sprake van een dreigende watersnood, maar had de bevolking geluk en hield de dijk het water tegen. De laatste keer dat deze dreiging echt serieus bleek, was in 1995. Alle inwoners van Boven-Hardinxveld moesten toen worden geëvacueerd. De aanleiding was een heel hoge rivierwaterstand door een grote hoeveelheid smeltwater, dat als opperwater onder andere bij de Avelingen tegen de Nieuwe Wolpherensedijk bonkte.

Militairen brengen een ijsdam tot ontploffing
Op deze tekening van het Biesboschgebied zijn zalmsteken ingetekend, waaruit blijkt hoe groot die konden


Een overstroming had vaak ook een andere oorzaak, die het dorp door de ligging aan de Merwede tot risicofactor maakte. Zo konden zware stormen het water hoog opstuwen. Op die manier ontstond in 1385 de Wiel achter de Peulenstraat. Het water werd door een zuidwesterstorm in de hoek tussen Buitendams en de Peulenstraat geblazen, kon niet meer weg en veroorzaakte een dijkdoorbraak.

Andere veel vaker voorkomende oorzaken waren ijsdammen. Het smeltwater uit de Alpen voerde zand en grond mee, maar ook takken, stukken hout en meer ongerief. De rivier langs Hardinxveld was al eeuwen de werkplek van riviervissers uit dat dorp. Ze bevoeren de rivier van Woudrichem tot Hellevoetsluis. Talloze mannen uit vooral Boven-Hardinxveld trokken er voor een goede vangst op uit. En daarbij werd van alles bedacht om de vis te vangen. Een van de manieren was het neerzetten van zalmsteken. Vanaf de zijkant tot bijna het midden van de rivier werd een van wilgenhout gebreid hord neergezet. Haaks op de stroming.

Tekening waarop het Kromme Gat te zien is, evenals e in de rivier ontstane zandbanken.


Aan dat hord werden zijhorden geplaatst en daaraan hing men fuiken. De vissen die de rivier opzwommen werden gehinderd door de steek en begonnen erlangs te zwemmen om erom heen te komen. Uiteindelijk kwamen ze dan veelal terecht in een van de fuiken.
Na enkele jaren waren de steken versleten en maakte men nieuwe. Restanten van de oude bleven in de rivierbodem staan. Daarachter hoopten zich de aanstromende sedimenten op en zo vormden zich door steeds meer aangevoerd zand en grind zandbanken. Weer daarachter stapelde de takken en stukken hout zich op.
En als dan met de dooi ijsschotsen met het water werden meegevoerd, bleven die daarachter hangen. Dat konden ijsdammen worden van grote breedte en hoogte. De schotsen kwamen tegen en op elkaar te liggen en er was dan sprake van kruiend ijs. De daardoor ontstane dammen konden op hun beurt de doorstroming van het rivierwater naar de zee in de weg staan, waardoor het dijklichaam in de buurt de druk niet langer aankon en het begaf.

Op elkaar geschoven ijsschotsen vormen een ijsdam.
Wiel in Boven-Hardinxveld.


Tenslotte moet hier nog de oorzaak van door mensen uitgevoerde inundatie worden genoemd. Uit oogpunt van verdediging of juist oorlogvoering werden er in tijden van oorlog of anderszins nogal eens dijken doelbewust doorgestoken, om zo de vijand te verjagen.
Bij een dijkdoorbraak ontstaat vaak een wiel. Het water loopt met grote kracht over en door de dijk en voert hiermee een grote hoeveelheid modder, zand en grind mee naar het binnengebied. Dat kolkt door het ontstane gat naar beneden waarbij een diepe put ontstaat, een wiel. De wielen in Boven-Hardinxveld zijn op die manier ontstaan, in de 17e en de 18e eeuw. De meesten wielen konden worden binnen gedijkt, waarbij er op de plek van de oude dijk een nieuwe dijk werd aangelegd. Bij Het Kromme Gat was dat niet mogelijk en dijkte men de Wiel buiten

DE AFWATERING VAN HARDINXVELD EN GIESSENDAM

Dick de Jong
uit: reeks over de waterstaat in Hardinxveld-Giessendam

OVERTOLLIG WATER
Al direct na de ontginning van de Alblasserwaard kreeg de afvoer van overtollig water aandacht. Dat gold niet minder voor de aan de Merwede gelegen dijkdorpen Hardinxveld en Giessendam, Dat moest wel, want de in cultuur gebrachte grond moest ‘rendabel’ worden. Het zware werk van de ontginning was uitgevoerd om op die plek voedsel te kunnen verbouwen. Het water dat weg moest kwam van drie ‘kanten’. Enerzijds als regenwater, anderzijds als grondwater door de dalende veenbodem en ten derde door overstromingen van de dijken rond het gebied.

WATERSTAND
Binnen de polders groeven de pioniers van eertijds tussen de kavels sloten en binnen de kavels kwamen greppels. Die waren erop gericht het water van ‘binnen’ naar ‘buiten’ te verplaatsen.
Door hierbij hoogte-verschillen te benutten liep het water naar een bepaalde kant.
Doordat het waterpeil in de rivieren die de Alblasserwaard omringen steeds hoger kwam te staan, ontstonden er moeilijkheden en was een natuurlijk verloop van het water veelal niet – meer – mogelijk. Ook in die tijd speelde al een klimaatprobleem. Bovendien was er van 1130 tot half 14e eeuw sprake van regelmatig binnenstromend zeewater in de kustgebieden. Dit was er medeoorzaak van dat de afwatering rond 1365 van zowel de Alblas als de Giessen naar Kinderdijk werd verplaatst.

MOLENS IN DE PEULEN
Daarnaast werden voor de gebieden die op de Giessen afwaterden in 1570 in Hardinxveld vijf boezemmolens gebouwd. Deze molens stonden rond de plek waar nu De Bron is gevestigd. Het gaat hierbij om een bergboezem, waar het af te voeren water tijdelijk werd opgeslagen en als het waterpeil in de rivier hiervoor een gunstige hoogte had alsnog kon worden geloosd. Hiervoor werden stukken land met rondom kades gemaakt waar het te eniger tijd af te voeren water tijdelijk kon worden ‘geborgen’. Ook werd een molenvliet aangelegd, tussen ‘de hoogendijk’ (nabij Steenenhoek) en de Sliedrechtse hoek, waardoor de vliet het hele Peulengebied omvatte.

Middeleeuwse molen

OORLOG EN GEZAG
Op dat moment had ons land te kampen met de Tachtigjarige Oorlog. Uit de bij de bouw van de molens voorafgaande verklaringen door schout en schepenen van Hardinxveld blijkt dat ook, want er wordt gesproken van ‘in ’t begin der Nederlandse beroerten’. Men had in die tijd nadrukkelijk last van oorlogsvoeringen en doortrekkende legereenheden. Twee jaar later, in 1572, werd het klooster in Brandwijk in brand geschoten.
Hier komt nog bij dat de gezaghebbende heren van Hardinxveld wat moeite hadden met de molens op hun terrein, omdat dit ongewild toch kosten met zich meebracht.

Kaart van de omgeving van de vijf molens in Hardinxveld (1570-1580).

HET WERKTE NIET
Al gauw bleek dat het geheel niet naar behoren functioneerde. Het rivierwater was telkens te hoog om een goede lozing te kunnen realiseren. De met grote regelmaat ontstane zandplaten in de rivier speelde hierbij ook een rol in negatieve zin, omdat daardoor de stroming van naar zee teruglopend water werd belemmerd. Daarom werd al tien jaar na de bouw, in 1580, besloten tot verkoop van de molens. Ze werden uiteindelijk gesloopt en de gronden waar de boezems waren gelegen werden in aansluiting op de directe omgeving percelen griendland.

OVERWAARD
Het valt hierbij op dat het gaat om de afwatering van de gebieden rondom de Giessen. Feitelijk grofweg dus de Overwaard. De thans in voorbereiding zijnde nieuwe uitwatering van dit Overwaardgebied is weer gepland in Hardinxveld, waar naast het mr. dr. G. Kolffgemaal een nieuw gemaal gaat komen, dat onafhankelijk van de
buitenwaterstand zal kunnen lozen. De gedachte om vanuit Gorcum een afwateringskanaal te graven wordt al in 1461 genoemd. Het werd uiteindelijk in 1818 gerealiseerd.

De wetering in Neder-Hardinxveld.
Scheprad van de Tiendwegmolen.

POLDERS
Dat Hardinxveld en Giessendam van oudsher uit poldergebieden bestaan is bekend. Het water werd via greppels en sloten afgevoerd naar molenvlieten, die het water naar elders brachten. Voor Boven-Hardinxveld was er de Molenvliet die net ten oosten van het Kanaal van Steenenhoek noordwaarts liep en waar van alle kanten via sloten het water in terechtkwam. In het westelijke deel van de nieuwbouw in Boven-Hardinxveld zijn hiervan nog meerdere restanten te zien. De afwatering van de pol-der Neder-Hardinxveld verliep via de sloten ook naar diezelfde Spindermolen. De vele op de Parallelweg aanwezige brugjes zijn hier nog stille getuigen van.

GIESSENDAM
Giessendam waterde buitendijks af op de Giessen en op een uitloper daarvan, die eindigt in de Karnemelksloot. Dit zijn nog overgebleven restanten van de oorspronkelijke rivierdelta.
Voor het binnendijks lopende gedeelte van Giessendam heeft de Tiendwegmolen een belangrijke taak. Vandaar wordt het water via een molenvliet doorgevoerd naar Bleskensgraaf om vervolgens in Kinderdijk op de rivier te worden geloosd.

Illustraties Archief Dick de Jong
Hedendaagse foto’s Evert van Lopik

DE LAGE EN DE HOGE BOEZEM VAN KINDERDIJK

Dick de Jong

De Alblasserwaard vormt een uitgestrekt veengebied dat tussen 1000 en 1260 is ontgonnen. De waterlozing ervan was geregeld met de aanleg van kaden en het graven van weteringen. Door de afvoer van water daalde de bodem flink en daardoor nam de wateroverlast toe. Het in de 13e eeuw opgerichte hoogheemraadschap liet in het oosten een dijk aanleggen en hield zich verder vooral bezig met het onderhoud van de buitendijk, de tot rivierdijken uitgegroeide kades van weleer.

De overlast door het binnenwater werd aangepakt met de aanleg van twee grote boezemwateren. Een boezem is een waterstelsel voor het tijdelijk opvangen van overtollig water dat op enig moment niet direct op het buitenwater kan worden afgevoerd.

In 1365 groef men de eerste grote boezem, genaamd het Achterwaterschap van de Overwaard. In 1371 volgde de aanleg van een soortgelijke boezem voor de Nederwaard. Beide boezems voeren het water naar het westen van de Alblasserwaard, bij Elshout, nu bekend onder de naam Kinderdijk. Hier wordt het water via twee sluizen op de Lek geloosd. Op drie kilometer daarvoor komen beide weteringen of boezems bij elkaar en lopen vandaar gebroederlijk naar de Lekdijk. 

De Diefdijk

Al ruim 750 jaar is er een waterbestuur in het rivierengebied. Ons erfgoed vind je overal: de dijken, de gemalen, de sloten. Toen de Diefdijk in 2021 onderdeel werd van UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies, was de militaire functie al twee eeuwen oud. En de dijk zelf nog veel ouder. Al in 1284 werd de Diefdijk gebouwd tussen de Lek en de Linge.

Dijkdoorbraken en overstromingen

In de Alblasserwaard heeft water altijd een bepalende rol gespeeld. Dat water heeft zelfs het huidige landschap doen ontstaan. In het hele gebied is eigenlijk geen enkele plek waar geen water of herinnering daaraan te bekennen is. Onderstaand een kroniek van dijkdoorbraken, overstromingen en belangrijke waterdreigingen in de Alblasserwaard – en de Vijfherenlanden – die het gebied gedurende vele eeuwen hebben geteisterd en beïnvloed.

13e eeuw

  • 31 maart 1277: Graaf Floris V van Holland, de ambachtsheren van de Alblasserwaard en de heren van Langerak, Herlaar, Noordeloos en Arkel besluiten tot gezamenlijk onderhoud van de bedijking van het gebied en aanleg van de Zouwendijk tussen Ameide en Hoogblokland.
  • Schade door overstromingen in 1280, 1281, 1282 en 1284.
  • 1288: door een grote zeevloed verdrinkt onder andere Zuid-Holland.

14e eeuw

  • Maart 1318: stormvloed in Zuidwest Nederland, ook de Alblasserwaard. 
  • Dijkbreuken langs de Merwede in 1321: west Alblasserwaard overstroomt.
  • Kerstnachtstorm 1330: de dijken bij Sliedrecht en Oud-Alblas breken door.
  • Stormvloed op 2 februari 1373: stroombaan van de Noord verschuift.
  • Begin 1374 lijdt de Alblasserwaard door hoog opperwater.
  • In oktober 1374 is er sprake van een stormvloed. 
  • Winter 1374/75: Alblasserwaard staat onder water.
  • 1385 harde zuiderstorm: dijkbreuk Merwededijk in Hardinxveld nabij de dam in de Giessen; de wiel in de Peulenstraat ontstaat.

15e eeuw

  • Vóór 1413 doorbraken in de Diefdijk en de Lingedijk.
  • In de 15e eeuw: wipmolen verschijnt om Alblasserwaard droog te malen.
  • In 1421 delen Alblasserwaard staan blank. Door Sint Elisabethsvloed verdrinkt de Grote Waard en 28 nederzettingen of dorpen verdwijnen.
  • Zomer 1427: Land van Arkel en oost Alblasserwaard staan onder water.
  • Op 10 april 1446 breekt de dijk door wegens hoog opperwater.
  • 21 oktober 1468 is er een stormvloed, waarbij veel vee verdrinkt.
  • Op 1 november 1470: de eerste Allerheiligenvloed.
  • Ursulavloed (20 oktober 1486): dijkdoorbraken onder andere te Sliedrecht.
  • Alblasserwaard is in zomer en herfst van 1483 veel last van hoog water.
  • 16 februari 1496 dijkdoorbraak bij Hagestein door opperwater.
  • Op Sint-Pontianusavond 1497: de Diefdijk breekt door.

16e eeuw

  • Vermoedelijk een dijkdoorbraak in 1509.
  • Gelderse strooptochten teisteren in 1512 de deels overstroomde en vervolgens bevroren Alblasserwaard.
  • 1514: sterke wateropstuwing; de westelijke Alblasserwaard loopt onder.
  • 1515: dijkdoorbraak te Sliedrecht.
  • 13 februari 1521: opperwatervloed in de Alblasserwaard.
  • 1522 inundatie van de Lekdijk en later ook Diefdijk. Na Driekoningen door vorst en sneeuw massa’s vis in de Linge, de Zederik en de Giessen.
  • 8 februari 1526: door noodweer waaien in de Alblasserwaard huizen, schuren, molens en bomen om. Ook worden veel dijken beschadigd.
  • 5 november 1530 hevige storm waardoor zeven dijkbreuken bij Lekkerland en Papendrecht.
  • In 1532 lijdt het vasteland van Holland grote schade tijdens een vier dagen durende storm. Dijkbreuk bij Papendrecht: de tweede Allerheiligenvloed.
  • Natte zomer van 1533: door aanhoudende regen loopt veel land onder water en bederft alle hooi.
  • Door wind en regen in herfst van 1538 mislukt de haveroogst (september). 
  • Winter 1538/39 zowel weg als ijs niet te belopen, door ‘aventuerlike’ vorst.
  • December 1539: onstuimig; in Alblasserwaard veel windstoten en onweer.
  • 1542: daags na Sint Agnieten (22 januari) bereikt het water de Diefdijk. 
  • Op 20 september 1542 breekt de dijk bij Dalem.
  • Hoornaar 1551 geklaag over een nat jaar en veel hoog opperwater.
  • Van 14 op 15 februari 1552 overstroming Merwededijk: Pontianusvloed.
  • Op 14 november 1552, overstroming door stormvloed in Alblasserwaard.
  • 22 maart 1558 Diefdijk bezwijkt op drie plaatsen. 
  • 22 maart 1565: opperwatervloed, waardoor de Diefdijk doorbreekt.
  • Dreigende ‘ijskaringen’ (kruiend ijs) in de Lek bij Ameide in januari 1570.
  • 1570: derde Allerheiligenstormvloed met dijkdoorbraken in de Diefdijk, bij het Nanengat en in de Elshout.
  • In februari 1571 breken de Diefdijk en de Lingedijken. Na drie maanden is er opnieuw een overstroomd (door opperwater). Wiel van Bassa te Schoonrewoerd ontstaat.
  • Breuk in de Diefdijk in februari 1572. Het nog natte gebied komt weer onder water te staan.
  • 11 januari 1573: ijsdam in de Lek (Lexmond en Ameide). Doorbraken op 14 februari bij Jaarsveld en Ameide. Later ook Lingedijk en Diefdijk. Door oorlogssituatie kunnen gaten niet worden gedicht en blijft het water enkele jaren op het land staan.
  • In 1574: mislukte onderhandelingen tussen Spanje en prinsgezinden, waardoor er schermutselingen zijn in de Alblasserwaard. De Spaanse landvoogd laat veel dijken doorsteken; ook Merwededijk ‘aenden Bout’. In de herfst staat bijna heel Zuid-Holland blank.
  • Op 13 augustus 1575 nemen de Spanjaarden Schoonhoven in. De dijken worden opnieuw doorgestoken.
  • In 1580 als in 1581 dreigt er weer gevaar. Na geruchten over militaire invallen komt op de Hardinxveldse dijk een noodklok. In Hardinxveld, Giessendam, Sliedrecht en Papendrecht worden wachthuizen opgericht.
  • Najaar van 1582 stormvloed waarbij de dijk ernstig beschadigd raakt.
  • De Wolpher(en)se dijk bij Gorinchem breekt door; opperwater 19 maart 1593.
  • 28 maart 1595: veel opperwater; breuk in schaardijk bij Den Bout in Hardinxveld). 
  • In mei 1595 ontstaat er een idee voor meer landinwaarts gelegen nieuwe dijk van de kerk in Papendrecht tot aan Gorinchem. Een tweede plan voor inlaagdijk tussen Giessendam en Gorinchem haalt het ook niet. Een maand later besluit men een inlaagdijk tussen Boven-Hardinxveld (Den Bout) en Gorinchem aan te leggen. De Avelingen ontstaan.  
  • Stormvloed in november 1598 of 1599.

17e eeuw

  • Paasvloed in 1606, belastingvermindering ingezetenen van Hardinxveld.
  • Nieuwjaarsdag 1624 ijsdam en overstroming in Vijfheerenlanden.
  • Wateroverlast in de Alblasserwaard bij Wijngaarden en Ruijbroek in 1625.
  • December 1655 Merwede veel drijfijs; 22 december ijsdam tussen Werkendam en Giessendam. Kerstdag in Gorinchem water door de straten.  
  • Eind 1658 kruiend ijs en ijsdammen in de Merwede voor veel doorbraken.
  • Door aanhoudende stevige wind kan het water niet weg en blijft het de gehele winter van 1658/59 op het land staan. In Hardinxveld ontstaat het ‘Kromme Gat’, nadat een buitendijkse nieuwe aanleg meermalen mislukt.
  • Nieuwjaarsdag 1663 meer sneeuw dan sinds mensenheugenis. Tijdens dooi-inval bezwijkt op 20 januari de Wolferensedijk. 
  • In februari 1663 derde koudegolf. Op 11 maart breekt op dezelfde plaats de dijk door. Overlast duurt het hele voorjaar.
  • 1664: veel regen: ‘de beesten’ kunnen niet geweid en geen hooiopbrengst.
  • Jaarwisseling 1693-94 gevaarlijk dreigende ijsdammen in de Merwede. Op 3 januari 1694 wordt een dankdag gehouden, nadat de dooi is ingezet.

18e eeuw

  • Winter 1708/09 ijsdam in de Merwede bij Boven-Hardinxveld. Vijf dagen staat het water gelijk met de dijk en brengt men vee en goederen in veiligheid. Na een spannende tijd van enkele maanden breekt op 18 maart 1709 te Hardinxveld alsnog de dijk door.
  • In 1726 breekt bij een opperwatervloed de Lingedijk bij Kedichem door.
  • In 1736 besluit tot een inlaagdijk of slaperdijk: de Groenendijk tussen Den Bout en Neder-Hardinxveld, de huidige Kanaaldijk Zuid. Om de Alblasserwaard te sparen wordt Boven-Hardinxveld als waterbuffer opgeofferd.
  • Op 24 december 1740 en op 3 januari 1741 ontstaat door een opperwatervloed één van de hoogste overstromingen ooit.
  • Door een opperwatervloed breekt op 12 maart 1744 de dijk door.
  • 1793 militairen steken op diverse plaatsen de zuidelijke Giessendijk door. Giessen-Nieuwkerk en de Hardinxveldse Benedenpolder overstromen.
  • Dijkbreuk door ijsgang bij Vuren op 22 februari 1799.

19e eeuw

  • Dijkdoorbraak 30 januari 1809. Bezoek Franse koning Lodewijk Napoleon.
  • In 1820 (in de nacht van 25 op 26 januari) dijkdoorbraak.
  • Achter het centrum van Neder-Hardinxveld en Giessendam komt in 1852 nieuw dijkstuk met keersluis, waardoor noodzakelijke verhoging van de bestaande dijken achterwege kan blijven. Grootste deel van de nieuwe dijk wordt in 1953 gebruikt voor het dichten van de Merwededijk bij Sliedrecht.

20e eeuw

  • Zware noordwester storm 31 januari 1953. 1 februari 1953 brokkelt de dijk bij Sliedrecht af en breekt door. Ook een overstroming in Papendrecht.
  • 1995: Overvloedig dooiwater uit de Alpen dreigt de dijken te breken. Grote aantallen bewoners van het rivierengebied worden geëvacueerd.

Over dijkvakken, dijkpalen en damstegen

Anneke Bode-Huizer

Al sinds 1277 beschermen dijken de Alblasserwaard, maar zo rond 1366 werd een stevige ringdijk rond de Alblasserwaard gelegd. Het onderhoud van de dijken was belegd bij de polders die binnen de ringdijk lagen. De dijken waren daartoe opgedeeld in dijkvakken. Op de dijk zelf waren die dijkvakken te herkennen aan palen met nummers: de dijkpalen, die er stonden. In een boekje uit 1765* staat dat de Zouwendijk en Bazeldijk volgens een nauwkeurige meting die in 1756 was gedaan, samen 2601 roeden lang waren*. In dat jaar werden er blauwe hardstenen dijkpalen geplaatst. Hoe de palen er voor die tijd uitzagen staat niet vermeld. De palen stonden 50 roeden (plm. bijna 200 meter) van elkaar verwijderd terwijl de nummering van de palen startte met paal nummer 300. Deze stond 40 roeden van het einde van de Zouwendijk aan de zijde van de Lekdijk. Op de Bazeldijk eindigde de palenreeks met paal nummer 351. Deze paal stond – op 11 roeden na – aan het einde van de Bazeldijk, op de grens van Hoogblokland en Arkel. Dit punt werd de (Hoog) Bloklandse paal genoemd. Deze laatste paal was een zgn. “scheijpaal”: hij gaf de scheiding aan tussen het schouwgebied van de Alblasserwaard en dat van de polder “Het Land van Arkel beneden de Zouwe”.

DIJKVAKKEN

Een polder kan een dijk niet in z’n eentje onderhouden. Daarom werden sommige dijken onderhouden door onderhoudsplichtige particulieren. Zo werd bijv. de Wolpherensedijk In Gorinchem onderhouden door o.a. eigenaren van landerijen in Schelluinen. Bij andere dijken werd het onderhoud gedaan door dorpen of polders in de Alblasserwaard. Iedere polder kreeg een dijkvak toegewezen. Dit was o.a. het geval bij de Zouwendijk en Bazeldijk. Zo’n dijkvak werd ook wel een (dijk)slag genoemd, de polders waren gedijkslaagd zoals men dat noemde. De volgende polders moesten op de Zouwendijk een dijkvak onderhouden:

Molenaarsgraaf: dijkvak 1, dit begon op de “hoogen Lekken-dyk” bij paal nummer 298 en liep tot bijna paal nummer 300 (op de Zouwendijk). Het dijkvak was 87 roeden lang, waarvan 30 roeden op de Zouwendijk; Brandwijk: dijkvak 2, te beginnen bij paal nummer 300 tot bijna bij paal 304, totaal 211 roeden en 3 voet lang; Bleskensgraaf: dijkvak 3, te beginnen ten zuiden van paal 304. Het vak was 78 roeden en 4 voet lang. Over dit dijkvak bestond nog onenigheid wie dit moest onderhouden: Bleskensgraaf of Gijbeland. Zolang het meningsverschil bestond zou Bleskensgraaf het voor haar rekening nemen; Blokland: dijkvak 4, te beginnen bij het eerste huis “over de Groenendijk”, 29 roeden 10 voet ten zuiden van paal 305. Het dijkvak was 38 roeden 8 voet lang; Bleskensgraaf: dijkvak 5, te beginnen ten zuiden van paal 306. Een dijkvak van 70 roeden; Nederslingeland: dijkvak 6, had een dijkvak van 39 roeden. Dit vak begon 38,5 roede ten zuiden van paal 306; Gelkenes: dijkvak 7, te beginnen ten zuiden van paal 308. Het dijkvak was 69 roeden lang; Sliedrecht: dijkvak 8, te beginnen ten zuiden van paal 309. Het dijkvak was 134 roeden lang; Graafland: dijkvak 9, te beginnen ten zuiden van paal 312. Het dijkvak was 152 roeden lang; Hofwegen: dijkvak 10, te beginnen ten zuiden van paal 315. Het dijkvak was 19 roeden en 6 voet lang; Peursum: dijkvak 11, te beginnen 2 roeden ten zuiden van paal 316. Dit dijkvak was 46 roeden en 6 voet lang; Noordzijde van Goudriaan: dijkvak 12, te beginnen ten zuiden van paal 316, lang 39 roede en 4 voet; Giessen-Oudekerk en Giessendam: dijkvak 13, te beginnen ten zuiden van paal 317, lang 246 roeden en 5 voet. In totaal was de Zouwendijk lang 1174 roeden.

Vervolgens ging de nummering van de dijkpalen verder op de Bazeldijk:

Wijngaarden: dijkvak 1, te beginnen 33 roeden 3 voet ten zuiden van paal 322. Het dijkvak was 71 roeden 3 voet lang; Blommendaal: dijkvak 2, te beginnen ten zuiden van paal 324. Dit dijkvak was 53 roeden 9 voet lang; “Otteland”: dijkvak 3, te beginnen ten zuiden van paal 325. Het dijkvak was 108 roeden en 9 voet lang; Over-Slingeland: dijkvak 4, te beginnen ten zuiden van paal 327. Het dijkvak was 53 roeden 9 voet lang; Langerak: dijkvak 5, te beginnen ten zuiden van paal 328. Het dijkvak was 140 roeden 8 voet lang; Den Beemd “Beempt” (Hoogblokland): dijkvak 6, te beginnen ten zuiden van paal 331. Het dijkvak was 80 roeden 4 voet lang; Grootewaard en Bottersloot onder Noordeloos: dijkvak 7, dit begon ten zuiden van paal 331 en was 109 roeden en 9 voet lang; Streefkerk: dijkvak 8, dit begon ten zuiden van paal 332 en was 277 roeden 3 voet lang; Meerkerksbroek: dijkvak 9, dit begon ten zuiden van paal 340 en was 188 roeden 6 voet lang; Ameide en Tienhoven: dijkvak 10, dit begon ten zuiden van paal 344 en was 147 roeden en 6 voet lang; Zuidzijde van Goudriaan: dijkvak 11, dit begon ten zuiden van paal 347 en was 83 roeden 3 voet lang; Noordzijde van Noordeloos: dijkvak 12, dit begon ten zuiden van paal 348 en was 101 roeden en 3 voet lang; Ruybroek: dijkvak 13, dit begon ten zuiden van paal 350 en was 11 roeden lang. De Bazeldijk was in totaal 1427 roeden lang.

DAMSTEGEN

Om hun dijkvak goed te kunnen onderhouden hadden de onderhoudsplichtige polders voldoende aarde nodig. Daarom lagen er langs de Zouwen- en Bazeldijk zgn. “damstegen”. Deze vormden de verbinding tussen de kruin van de dijk en het achterliggende land waaruit aarde gehaald kon worden. Ook moesten er op deze plekken graszoden en grond beschikbaar zijn om in tijden van nood “de dijk vierkant” te kunnen maken, ofwel de dijk op de vereiste breedte en hoogte te krijgen.* In het oude boekje staat precies aangegeven waar deze damstegen lagen. Daarbij worden ook namen van huizenbezitters genoemd.


Zo lag er een steeg (op de Zouwendijk): 1. op de grens van (“tusschen het geschei van”) Ameide en Meerkerk, bij paal 307; 2. 38 roeden verder ten zuiden (en 2 roeden op) het slag van Nederslingeland; 3. 35 roeden verder, komende 3 roeden voorbij ’t slag van Gelkenes. […]; 5. 40 roeden verder, komende 10 roeden op het slag van Sliedrecht; 6. bij het land van de Diaconie van Meerkerk, waar het huis van Gerrit Stam gestaan heeft; 7. bij het huis van de Erfgenamen van Jan Peeterse; 8. 43 roeden verder, rakende aan het slag van Ammers-Graafland in paal 312; […] 14. ter zijde van de hofstede van Leendert Boers in paal 318; 15. ter zijde van de hofstede van Klaas Verhoef, in paal 319; 16. bij de hofstede van de Heer van Borssele, in paal 320; 17. in het land van de Diaconie van Meerkerk, in paal 321; 18. bij het huis van Johannes Reijne, in paal 321.

En op de Bazeldijk: 1. ten zuiden van de Noordsche weg, bij het huis van Peter van den Dool, in paal 323; 2. in het land van de weduwe Jan Brakel, in paal 324; 3. eveneens in het land van de weduwe Jan Brakel, in paal 325; […] 5. ten noorden van het huis van Daniël Rietveld, in paal 326; […] 9. bij het huis van Aart de Ruyter, in paal 330; […] 13. bij de hofstede van de weduwe Brakel, in paal 332; 14. Is de Beemptweg, in paal 333; […] 16. bij het huis van de Weduwe Arie Versluis, in paal 334; 17. bij het huis van Peter Donk, in paal 335; 18. bij het huis van de erfgenamen van Jan Flooren, in paal 336; 19. bij het huis van Arie van Buuren, in paal 337; […] 24. genaamd Joppe steeg, in paal 341; 25. bij het huis van Arie Engelen, in paal 342; […] 32. bij het huis van Arie de Borst, in paal 347 en 33. bij het huis van Jan de Vlieg, in paal 348. […]

Hadden we nou maar een oude kaart waarop deze damstegen ingetekend stonden. Langs de Zouwendijk en Bazeldijk zijn nog wel steeds de dijkpalen terug te vinden en ook de nummering loopt nog vanaf de Lekdijk richting Arkel. Wel valt op dat bij een boerderij aan de Zouwendijk (Zouwendijk 153) twee verschillende dijkpalen staan: één met een nummer 307 en één oudere paal met een nummer 308. De blauwe hardstenen palen zijn het echter niet meer, ze zijn inmiddels allemaal wit. De palen op Hoogbloklands grondgebied mogen overigens wel eens een opknapbeurt krijgen, zodat ze net zo mooi wit worden als hun broeders op de Zouwendijk.

*Bron: “Hand-vesten, Privilegiën, Keuren en Reglementen aangaande den Alblasserwaard, vermeerderd met verscheiden Resolutiën, Contracten en andere zaaken, den voorsz; Waard concernerende, zo voor- als na den Jaare 1720 geformeerd”. Uitgegeven te Gorinchem, gedrukt bij Teunis Horneer, boekdrukker en boekverkooper, 1765.

*Volgens het boek “De Alblasserwaard” (door Catharina L. van Groningen, 1992) waren 50 roeden 197,8 meter lang.

*Bron: boek De Lekdijk van Amerongen naar Vreeswijk, negen eeuwen bescherming van Utrecht en Holland, door A.A.B. van Bemmel, Hilversum, uitgeverij Verloren, 2009.

Op de kadastrale kaarten zijn de damstegen terug te zien: lange smalle strepen grond die het achterland in gaan, waar dan uitgegraven plassen liggen:

Met toestemming over genomen van Over dijkvakken, dijkpalen en damstegen – Streekgeschiedenis Alblasserwaard

Het begin van 750 jaar waterhuishouding in de Alblasserwaard

drs. Harm Jan van Rees

Inleiding

In 2027 wordt herdacht dat de Hollandse graaf Floris V samen met een groot aantal edelen 750 jaar geleden op 31 maart 1277 door middel van een oorkonde de oprichting van het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard bezegelt. Het gebied heette toen nog Land tussen Lek en Merwede, de twee rivieren die het gebied grotendeels omsluiten. De naam Alblasserwaard komt voor het eerst voor in 1383. De noodzaak om gezamenlijk de waterstaatkundige problemen aan te pakken, kwam voort uit afwateringsproblemen als gevolg van inklinking, de zorg voor de buitendijken en overstromingsgevaar vanuit het oosten. In het handvest van 1277 zijn dan ook, naast de bestuurlijke inrichting, afspraken vastgelegd over het interlokale, en daarmee overkoepelende, beheer en onderhoud van een nieuwe zijdewindedijk, de Zouwedijk, en de toen al bestaande rivierdijken van de afzonderlijke dorpen.


De ontginningen

In de vroege middeleeuwen kwam in de Alblasserwaard alleen bewoning voor op de oeverwallen van rivieren en de mondingsgebieden van veenstroompjes. Oudste vermeldingen betreffen dan ook de aanwezigheid van parochiekerken in Hardinxveld en Papendrecht in 1105. Archeologische vondsten wijzen op bewoning in deze tijd in Oud-Alblas, Alblasserdam en Giessendam. Voor de rest bestond het gebied uit moeras en veenwildernis. Door bevolkingsgroei steeg de behoefte aan landbouwproducten en van de 11e tot 13e eeuw werd het uitgestrekte Utrechts-Hollands veen- en klei-op-veengebied stelselmatig ontgonnen, dat wil zeggen in cultuur gebracht voor agrarisch gebruik. Wijngaarden is in 1181 de eerst vermelde binnenlandse nederzetting en na twee eeuwen noeste arbeid is de Alblasserwaard rond 1270 geheel ontgonnen. Deze grootste infrastructurele prestatie in Nederland ooit stond onder regie van de graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht die krachtens het wildernisregaal het recht op de wildernis bezaten en als landsheren het regulerend overheidsgezag in de veengebieden uitoefenden.
Met behulp van spaden, draagbaren en kruiwagens werden vanuit rivieren en veenstroompjes loodrecht drainagesloten aangelegd. Een gelimiteerde achtergrens bepaalde de uiteindelijke verkavelingslengte. De gegraven sloten hadden een tweeledige functie. Zij fungeerden niet alleen als afwateringskanaaltjes maar markeerden tevens de perceelscheidingen. Collectieve maatregelen als de aanleg van voor-, achter- en zijkaden met uitwateringssluizen op het laagste punt complementeerden uiteindelijk de cultiveringsactiviteiten. Tezamen vormden ze een defensief stelsel tegen de wateroverlast en boden – althans voorlopig – de mogelijkheid tot een beheersbaar waterpeil. Aan de rivieroevers vormden de aldaar opgeworpen dijkjes ten slotte een aaneensluitende waterkerende dijkring. De oorkonde van Floris V was dus niet de aanleiding voor de aanleg van een dijkring maar een bevestiging van het bestaan.

De afzonderlijke ontginningseenheden werden nader onderverdeeld in zogenaamde hoeven die met een maatvoering van 28 à 30 roeden (circa 114 m) voor de breedte en een lengte van zes voorlingen (circa 1250 m) resulteerde in een bedrijfsomvang die doorgaans 16 morgen (dat is circa 14 ha) groot was. Op de koppen van de kavels verrezen de boerderijen. De zo verworven gronden bleken aanvankelijk zeer geschikt voor de verbouw van zware broodgranen als tarwe en rogge. De voortdurende bodemdaling zorgde echter voor te natte grond en na circa 1350 schakelden de boeren massaal over op veeteelt en zuivelbereiding. Op de akkers dicht bij het bedrijfsgebouw werden nog kleinschalig gerst en haver geteeld maar allengs overgestapt op de lucratieve verbouw van handelsgewassen als vlas en vooral hennep.

Afbeelding 1. De ontginningsrichtingen in het westelijk deel van de Alblasserwaard.


Rechten en plichten

Tijdens de openlegging van de jongste ontginningsgebieden trok de graaf van Holland, ten koste van de bisschop van Utrecht, steeds meer het rechterlijke gezag naar zich toe. Voor het in cultuur brengen van de veenwildernisgebieden benutte de graaf diverse contractvormen. Meestal gaf hij de onontgonnen venen uit aan groepen kolonisten, al dan niet via tussenpersonen. Een andere optie was om land in leen uit te geven aan hoge edelen uit zijn directe omgeving. Ook die lieten de daadwerkelijke ontginningen over aan derden, de locators, en verkochten de grond door tegen een kleine erfpacht of cijns aan de feitelijke ontginners die zich als vrije boeren in het gebied konden vestigen. Die locators waren kapitaalkrachtige personen die deel uitmaakten van de bovenlaag van de toenmalige samenleving zoals adellijke families en riddermatige geslachten. Naast de cijns hielden deze ondernemende edelen binnen het leenverband met de graaf ook de lucratieve tienden en de heerlijke rechten aan zichzelf. Onder het ambacht (van ‘ambt’) of heerlijkheid vielen naast de tienden de dagelijkse rechtspraak en andere rechten als accijnzen, visserij, molen-, veer- en tolrecht, de zwaandrift, uiteraard verschillend per ambacht. Hoge heerlijkheden, die in de Alblasserwaard veel voorkwamen, bezaten tevens het recht om de zwaarste lijfstraffen op te leggen en uit te voeren. Tienden en het patronaatsrecht (het recht om de pastoor te benoemen) werden aanvankelijk separaat in leen uitgegeven maar later dikwijls verenigd met de heerlijke rechten.


Lokale afwatering en waterbeheersing

In het kielzog van de ontginningen kregen de kerkelijke en rechterlijke organisatie en noodzakelijkerwijs ook de waterhuishouding in de vorm van waterbeheersing en afwatering gestalte. Die was tot de oprichting van het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard in 1277 vooral lokaal van aard en vertoonde de typische kenmerken van een polder. De dijkdorpen waterden af op de rivieren via sluizen op het laagste punt in de eigen voordijk. In het begin en in het midden van de 13e eeuw worden al sluizen genoemd voor Giessen-Oudebenedenkerk en Sliedrecht voor afwatering op de Merwede en voor Langerak op de Lek. Kunstwerken als achter- en zijkaden (de zogenaamde zijdewinden) fungeerden als sluitende waterkeringen, zo in Over-Slingeland (1263), Nieuw- Lekkerland (1274) en Alblas en Streefkerk (1280).
Voor een groot deel van het middengebied van de Alblasserwaard, waar de laatste ontginningen plaatsvonden, kwam de aanvankelijke situatie qua waterkerende maatregelen vermoedelijk overeen met die in de dijkambachten. De manier van afwateren verliep anders. In de bovenloop van de diverse veenstroompjes en de stroomopwaartse gegraven verlenging van de Alblas, de Graafstroom, lagen dammen met sluizen, zoals De Hornedam bij Noordeloos in de Giessen (genoemd in 1277), de Vuilendam in de Graafstroom (uit de ontginningsperiode van Laagblokland vóór 1264) en de Har- of Harendam in de Alblas tussen Oud-Alblas en Bleskensgraaf. Met behulp van deze kunstmatige constructies kon de waterstand van de inlandse ambachten worden geregeld.

De oprichting van het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard in 1277; de betrokken edelen en de begrenzing

De oorkonde van 31 maart 1277, die in het Latijn is opgesteld, kennen we alleen via afschriften. De originele akte is verloren gegaan. Het origineel bestond nog aan het einde van de 14e eeuw toen ook een eerste vertaling in het Middelnederlands werd gemaakt. De oudste kopieën dateren uit het midden van de 15e eeuw. Het handvest is opvallend harmonieus van aard en duidelijk gericht op consensus tussen alle betrokkenen. De tekst maakt gewag van het feit dat de overeenkomst tot stand is gekomen in overleg en met instemming van de vijftien betrokken edelen. Volgens Alblasserwaardkenner P.A. Henderikx stonden zelfs de zegels van graaf en heren op één lijn als vroege uiting van het Nederlandse poldermodel. Ingegeven door de economische belangen van hun eigen, net ontgonnen, ambachten waren ongetwijfeld de betrokken edellieden de aanjagers achter de oprichting van het
hoogheemraadschap. Bijzonder is het feit dat de overeenkomst de landsgrens van het graafschap Holland oversteeg. Die liep globaal van noord naar zuid midden door de Alblasserwaard. In bestuurlijk en juridisch opzicht was de waard een ware lappendeken van lage en autonome hoge heerlijkheden, die voor een deel dus onder het graafschap ressorteerden Ten oosten van de grens participeerden vier zelfstandige hoge heerlijkheden in de samenwerkingsovereenkomst. In waterstaatkundig verband vormde door de oprichting in 1277 en de uitbreiding van 1281 van het nieuwe dijkcollege de Alblasserwaard voortaan wel een eenheid.

Henderikx heeft er eerder al op gewezen dat naast de eigen afzonderlijke belangen van de heren, sommige edelen een coördinerende rol moeten hebben gehad, vooral degenen die in meer ambachten gerechtigd waren zoals Willem van Brederode, ambachtsheer van Peursum, Neder-Slingeland, Goudriaan, Cortegrave (Laagblokland en Ottoland), Wervelkamp (Hofwegen) en Wijngaarden òf een familiaire band met elkaar hadden zoals leden van de families Van de Lede en Van Arkel. Hierbij gaat het om Jan van Arkel voor alleen de Beemd onder Hoogblokland, Hugo Botter voor de hoge heerlijkheid Noordeloos, Otto van Slingeland voor Over-Slingeland, Arnoud van Liesveld gerechtigd in het Hollandse Gelkenes en Ammers-Graafland.en Herbaren van der Lede (territoir onbekend). Ook Dirk van (de hoge heerlijkheid) Herlaar waaronder Tienhoven, Ameide en Meerkerk en Hendrik van de Lek (Streefkerk en Brandwijk met Gijbeland) hadden verscheidene heerlijkheden. De andere ondertekenaars van de oprichtingsakte waren: Zweder van Abcoude en Zeger van Riede (territoirs onbekend), Gijsbrecht van (de hoge heerlijkheid) Langerak, Willem Moelnairs als ambachtsheer van Molenaargraaf, Herbaren van de Merwede voor Over-Sliedrecht, Theylings Colekijn van Niemandsvriend en Willem Blassekiins, heer van Bleskensgraaf.

De grenzen van het hoogheemraadschap overlapten dus bij aanvang niet de gehele waard. In het zuiden vormde de nog open Giessen de grens en daardoor vielen Hardinxveld en Giessen-Nieuwkerk buiten de dijkring. In het zuidoosten participeerde op de Beemd na het Land van Arkel niet in de overeenkomst. Papendrecht, Alblas en Nieuw-Lekkerland in het westen van de Alblasserwaard deden (aanvankelijk) niet mee aan de samenwerking. De verklaring is dat deze ambachten over twee eigen zijdewinden beschikten. In 1281, vier jaar na de oprichting, onderging het waterstaatkundige verband een aanmerkelijke expansie.

Zegel van Floris V
Afbeelding 2. Zegel van graaf Floris V uit 1289.

In een nieuw handvest van 10 april 1281 verordonneerde Floris V dat de schouw van de Merwededijk (de Noord heette toen ook nog Merwede) voortaan tot de Schelluinsesloot zou lopen. Daaruit mag worden afgeleid dat zowel Hardinxveld en Giessen-Nieuwkerk als ook Papendrecht, Alblas en Nieuw-Lekkerland aansloten bij het hoogheemraadschap. Het is geen toeval dat het heerlijke gezag van de drie eerstgenoemde nieuwkomers onder Willem van Brederode vielen en Nieuw-Lekkerland onder dat van Hendrik van de Lek. Directe aanleiding voor de aansluiting waren de aanleg van de Giessendam in 1281 en de Alblasserdam kort daarvoor. Vanaf 1281 kent de Alblasserwaard een aaneensluitende dijkring. Alleen Arkel beneden de Zouwe bleef tot 1856 zelfstandig.

Afbeelding 3. Deel van een kaartje van de Alblasserwaard uit het midden van de 16e eeuw met rechts van noord naar zuid de Zouwedijk.

Bestuur en werking

Het bestuur van het hoogheemraadschap was een evenredige afspiegeling van de omvang van de deelnemende ambachten waardoor de nadruk op het Hollandse deel van de waard lag. Het bestuur kende dertien zetels; acht uit het grafelijke deel, twee uit Herlaar, één uit het Land van Arkel, één uit Noordeloos en één uit Langerak. De bestuurlijke verantwoordelijkheid werd vooral toebedeeld aan de graaf. De benoeming van alle hoogheemraden behoorde tot zijn competentie evenals de aanstelling van de voorzitter (de latere dijkgraaf) ‘die van ons daer toe gheset sel werden ende die inden selven lande geervet is’ zoals de Middelnederlandse transcriptie luidt. De boeten op nalatig onderhoud vielen behoudens die voor de lokale schout of de dijkgraaf ook toe aan de graaf.

De afspraken die Floris V in de oorkonde van 31 maart 1277 maakte met de edelen, die gegoed waren in de waard, laten zien dat er voor een deel werd teruggegrepen op reeds bestaande gewoonten. Zo bepaalde het handvest dat het nieuwe dijkcollege driemaal per jaar de dijken zou schouwen. De schouwen van de lokale schout (de plaatsvervanger van de ambachtsheer) voor de dijk in het eigen ambacht werden nu als voorschouwen beschouwd. Daarvoor waren de rivierdijken verdeeld in slagen. De onderhoudsplicht in de ambachten aan de rivieren lag bij de hoeve die aansloot op het betreffende dijkvak. Dergelijke procedures waren zeer gangbaar want kwamen ook in andere waarden voor. De overeenkomst uit 1277 leverde een belangrijke wijziging op voor het beheer van de bestaande rivierdijken. Weliswaar bleef de verhoefslaging in takt, indien van een geschouwde dijk een wiel opnieuw doorbrak dan droegen voortaan alle deelnemers bij aan het herstel ervan. Dat gold ook als dijk nog niet goed was gekeurd, maar de herstelkosten werden achteraf verhaald op de onderhoudsplichtige. De boeten op nalatigheid waren pittig: bij de lokale schouw bedroegen zij één schelling (= 12 penningen) bij de controle van het hoogheemraadschap het vijfvoudige. Indien de dijkgraaf en de schouten herstel van een ernstige malversatie zoals een breuk of gat in de betreffende dijk voorfinancierden, hadden zij het recht de kosten dubbel bij de onderhoudsplichtige in rekening te brengen.

Afbeelding 4. Willem II met keizerskroon en keizersmantel en rechts zijn zoon graaf Floris V. De gefingeerde tekening uit circa 1456 is onderdeel van een portrettenreeks van heraut Hendrik van Heessel.

De Zouwedijk

Anders dan vaak wordt gedacht ligt de essentie van het charter van 1277 niet direct bij de afspraken over het onderhoud en beheer van de bestaande rivierdijken maar bij de aanleg van een nieuwe zijdewindedijk, de Zouwedijk, tussen de Lek bij Ameide en de Donk bij Hoogblokland. Als gevolg van inklinking ervoeren de ambachten in de waard het toenemende overstromingsgevaar vanuit hoger geleden gebieden en was het belang van de dijk evident groot. Er werden dan ook stevige afspraken gemaakt. Zo zouden bij pogingen om de zijdewinde door te steken (‘yment proefde desen voirsc[reven] diic ziderwen te breken’) graaf en edellieden als één blok (’mit al den horen te zamen mit ons’) optreden. Voorafgaand aan de bezegeling spraken de ondertekenaars de wens uit dat de zijdewindedijk eeuwig mocht blijven bestaan. Het onderhoud van de dijk is niet in de oorkonde zelf vastgelegd maar moet kort daarna tot stand zijn gekomen. In tegenstelling tot alle deelnemende ambachten die onder het principe van de verhoefslaging een dijkslag in de nieuwe dijk kregen toebedeeld, onderhielden de ambachten Nieuw-Lekkerland, Alblas, Papendrecht, Hardinxveld en Giessen-Nieuwkerk, die pas in 1281 toetraden tot het hoogheemraadschap, geen hoefslag in deze dijk.

Het uitdagende vervolg

De oprichting van het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard in 1277 en de uitbreiding ervan in 1281 luidden een grote verbetering van de waterbeheersing in, maar konden niet voorkomen dat de waard meer en meer last kreeg van bodemdaling als gevolg van inklinking. Opnieuw bleken ingrijpende maatregelen nodig, ditmaal om de afwatering van met name de dijkambachten te garanderen. Al kort na de aanleg van de Giessendam in 1281 verlegde Langerak de uitwatering van de Lek naar de Giessen. Een paar decennia later volgden Ameide, Tienhoven en Meerkerkerbroek. Ook Arkel en Gorinchem legden hun afwatering aldra om naar de Giessen. Meer westelijk verplaatste eind 13e eeuw Sliedrecht de uitwatering van de Merwede naar de Alblas en niet veel later deden Papendrecht en Giessen-Oudebenedenkerk hetzelfde. De Giessen en de Alblas annex Graafstroom kregen daarmee een functie als boezem. Voor de Alblas en de Graafstroom stelde graaf Willem III in 1320 een toezichthoudend college in.

Ook deze omwenteling in de afwatering bood slechts tijdelijk soelaas. Al in het begin van de 14e eeuw ontstonden grote problemen met de uitwatering via de Alblasserdam. Problemen die allengs groter werden en andermaal noopten tot een krachtdadig ingrijpen. In de jaren zestig van de 14e eeuw onderging de Alblasserwaard een ware infrastructurele metamorfose. Hertog Albrecht, ruwaard van Holland (dat is: voogd van zijn krankzinnige broer graaf Willem V), verleende op 22 augustus 1365 op initiatief van het hoogheemraadschap toestemming aan alle ambachten, die afwaterden op de Giessen, èn de heerlijkheid Liesveld om vandaaruit een watergang van 16 km als boezem en 12 km toegangswateren te graven naar het Elshout bij Kinderdijk in het uiterste westen van de Alblasserwaard. De bestuurlijke organisatie voor de realisatie en het beheer van de nieuwe watergang werd ondergebracht in het waterschap de Overwaard met zeven waterheemraden. Het hoogheemraadschap kreeg een toezichthoudende rol waar het ging om de aardhaling, de nieuwe sluizen en de staat van de kaden. De omkeer van de afwatering in de Alblasserwaard werd volledig toen hertog Albrecht eind 1369) ook toestond om vanuit de Alblas een watergang te graven naar het Elshout, het waterschap van de Nederwaard. Alleen Nieuw-Lekkerland en Streefkerk behielden hun eigen afwatering op de Lek.

Afbeelding 5. Proceskaart over de aanwas Donkersloot uit circa 1542, gemaakt in opdracht van de dijkheemraden van de Alblasserwaard, met de watergangen naar het Elshout. Het noorden is onder. Deze zogenaamde Gorcumse kaart (vanwege de verblijfplaats) heeft een pendant in opdracht van de heer van Alblasserdam die zich in de collectie van de Universiteitsbibliotheek Leiden bevindt.

Met het graven van de watergangen naar het Elshout waren alle natuurlijke afwateringsopties uitgeput. De bodemdaling stopte echter niet en noopte tot de inzet van andere middelen. Al in de eerste helft van de vijftiende eeuw verschenen de eerste poldermolens in de Alblasserwaard om door bemaling het water uit te slaan. Summum van de inzet van deze mechanische hulpconstructies was natuurlijk de realisatie van het unieke molencomplex bij Kinderdijk in de 18e eeuw. Het nam niet weg dat afwatering en overstromingsgevaar tot heden ten dage alle aandacht behoeven. Enige geruststelling daarbij gaat uit van het feit dat de Alblasserwaard al 750 jaar urgentiebesef toont.

Voor dit artikel is de volgende literatuur gebruikt:
Henderikx, P.A., ‘De oprichting van het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard in 1277’, in: Land, water en bewoning. Waterstaats- en nederzettingsgeschiedenis in de Zeeuwse en Hollandse delta in de Middeleeuwen. Keuze uit de verspreide opstellen, B. van Bavel, G. van Herwijnen, K. Verkerk, ed. (Hilversum 2001), 213-224. Eerder gepubliceerd in: Holland, 9 (1977) 212-222.
Henderikx, P.A., ‘Waterbeheersing en afwatering in de Alblasserwaard tot de invöering van de bemaling in de vijftiende eeuw’ in idem 225-238. Eerder gepubliceerd in: Geografisch Tijdschrift, Nieuwe Reeks II (1977) 407-427.
Janse, Antheun, Ridderschap in Holland. Portret van een adellijke elite in de late middeleeuwen (Hilversum 2001).
Koch, A.C.F. en J.G. Kruisheer, e.d., Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299 (OHZ), (’s-Gravenhage, Assen, Maastricht 1970-1997) 4 dln, dl. 3 nr. 1778 en dl. 4 nr. 1953.
Linden, H. van der, De Cope. Bijdrage tot de rechtsgeschiedenis van de openlegging der Hollands-Utrechtse laagvlakte (Alphen aan den Rijn, 1980, 2e druk).
Rees, Harm Jan van, ‘De herkomst van de naam Gijbeland, een onderbouwde hypothese’, De Binnenwaard, 36 (2019) 6-16.
Teixeira de Mattos, L.F., Waterkeeringen, waterschappen en polders van Zuid-Holland (’s-Gravenhage 1906-1952) 10 dl., dl. 4.1. De Waarden (vervolg); afd. 2. Het land tussen Lek en Merwede; onderafd. 1. Overzicht; onderafd. 2. De waterkeeringen en dl. 4.2. De Waarden (vervolg); afd. 2. Het land tussen Lek en Merwede; onderafd. 3. De boezems, waterschappen, polders en gronden in de Alblasserwaard.

Verantwoording van de afbeeldingen:
Afbeelding 1. Rees, Harm Jan van, ‘De herkomst van de naam Gijbeland, een onderbouwde hypothese’, De Binnenwaard, 36 (2019) 8.
Afbeelding 2. Heeringa, Klaas, Corpus sigillorum Neerlandicorum: de Nederlandsche zegels tot 1300 (Den Haag 1937-1940) nr. 533.
Afbeelding 3. Nationaal Archief Den Haag, collectie Hingman.
Afbeelding 4. Boer, D.E.H. de en E.H.P. Cordfunke, Graven van Holland. Middeleeuwse vorsten in woord en beeld (880 -1580) (Zutphen 2010). Het origineel bevindt in de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience te Antwerpen.
Afbeelding 5. Regionaal Archief Gorinchem. Archief hoogheemraadschap Alblasserwaard en Arkel beneden de Zouwe, inventarisnummer 92.

De Knotwilg geeft waardevol landschap

Dick de Jong


In 2012 kocht het Amsterdamse Van Goghmuseum het werk De Knot-wilg, een waterverftekening uit 1882. Het daarmee gemoeide bedrag van anderhalf miljoen euro staat in schril contrast tot de negatieve waarde die de gemiddelde eigenaar van de in de natuur – gelukkig – nog veelvuldig voorkomende boom, de knotwilg, er aan toekent. Hij staat veelal de boeren in de weg, want hij vergt onderhoud en dat kost tijd, dus geld. Maar gelukkig zijn er velen een andere mening toegedaan: de knotwilg is een onlosmakelijk deel van ons prachtige polderlandschap. Wees er zuinig op. Laten we hem waarderen en als waardevol beschouwen. De boom hoort in ons landschap. Bepaalt er al eeuwenlang het beeld.

DE BOOM

Een wilg aanplanten is eenvoudig. Steek een wilgentak tot zo’n 80 cm in de grond en hij loopt uit. De knotwilg is een wilg die enkele jaren na de aanplant op circa 1½ tot 2 m hoogte wordt afgezaagd. Daarna ontstaan takken als uitlopers, die om de zoveel jaar worden geknot door de nieuw uitgelopen takken weg te nemen. De verdikking aan de basis van de uitlopers vormt de knot waaraan de knotwilg zijn naam dankt. De knotwilg wordt traditioneel op grote schaal in laaggelegen gebieden aangeplant langs wegen en sloten. Voor geriefhout en versteviging van de slootoevers met hun wortels, op plekken waar de koeien bij het drinken de toch al drassige kanten dreigen te vertrappen. Knotwilgen hebben een veel bredere belangrijke functie. Knotwilgen met hun karakteristiek gevormde rijen zijn landschapselementen in de weilanden, die aandacht verdienen. Onderhoud is nodig, anders krijgt de natuur er grip op en waaien de bomen met hun veel te groot geworden takkenlast om. Knotten en ook stikken (het ontdoen van te veel jonge uitlopers) moet met regelmaat gebeuren, eens in de zoveel jaar. Een knotwilg kan bij regelmatig onderhoud zo’n honderd jaar oud worden. Het knotten, gebeurt tegenwoordig vaak door vrijwilligers. Mensen met liefde voor de streek, die op gezette tijden actief zijn.

HUISVESTING

In de humusrijke knot van oudere bomen groeien vaak planten of struiken. Het binnenste deel van een knotwilg kan gemakkelijk gaan rotten en in dit laagje kunnen daardoor zaden ontkiemen. Zo biedt de wilg niet alleen een thuis voor vogels en insecten, maar ook voor uiteenlopende soorten planten. Snelgroeiende planten als de vlier of lijsterbes kunnen dan gemakkelijk een knotwilg splijten. Zo ontstaan holtes in de stam, die onderdak bieden aan vogels, zoals spechten en uilen. Ook veel insecten vinden er een verblijf, evenals kleine knagers als muizen. De jonge scheuten zijn weer ideaal voor bijen en andere bestuivers. Veel vogels zoeken er bescherming. Eenden maken nogal eens een nest in de knot. De wilg biedt ook een goede broedplek voor andere vogels en functioneert zelfs als een insectenhotel. Onder de schors leven veel soorten ongewervelden zoals pissebedden, duizendpoten en spinnen. BESCHERMING Knotwilgen zijn multifunctioneel in het weidelandschap. Ze hebben esthetische waarden. En ze bieden ook bescherming aan vee tegen zon, wind en regen. Ook luwte aan de wandelende poldermens. Vee eet graag de bast, het blad en de twijgen van de wilg. Die zijn een bron aan mineralen en eiwitten. Aanplant in een weide waarin
vee loopt vergt bescherming rond de voet. Ook kleinere dieren hebben baat bij de aanwezigheid van wilgen. Kippen scharrelen verder wanneer zij zich kunnen verschuilen voor overvliegende roofvogels.
De gesnoeide takken worden aan konijnen of geiten gegeven. Een paar gevlochten wilgentakken met wat hooi ertussen is uitstekend speel- en knaagmateriaal voor kleinere dieren.

PRODUCTIEBOOM VAN GERIEFHOUT

Een knotwilg heeft ook economische waarde. Het hout is in vele verschijningsvormen een ideale basis voor allerhande producten. Zo werden er vroeger veel manden, fuiken en klompen gemaakt van wilgen. Dit vlechtwerk is een oeroud ambacht dat al in de prehistorie werd bedreven. Ook werden er vlonders van gebreid, waarop het hooi boven de stal werd opgeslagen. Veel hekwerken, die de dammen naar de weilanden afsloten werden gemaakt van geschilde of ongeschilde wilgenslieten.
Van groot belang was het hout om te gebruiken voor werktuigen. Elk dorp had wel een smederij en het ijzeren werktuig dat daar werd gemaakt werd door de boeren voorzien van een wilgenhouten steel of handvat.
Tegenwoordig levert de wilg materiaal voor meubels en papier. Ook hekwerken en schuttingen voor tuinen. Borderranden, sierbogen, tuinbanken. En als brandhout natuurlijk.

TENSLOTTE

Een wilg is een sterke levenskrachtige boom, die het lang kan volhouden. Bestand tegen vervuiling en een veranderend klimaat. Een stabiele basis voor ieders leefomgeving. Elke geplante staak loopt uit en wordt een snelle groeier. De eenvoudige boerenboom heeft zelfs een symbolische betekenis: die van wedergeboorte.
Een oer Hollandse boom, die houdt van een beetje water. In de medische wereld wordt de wilg ook toegepast. Het zit als koorts verlagend en bloed verdunnend middel in aspirine. Bij pijn werkt een kompres met wilgenblad vaak verlichtend. Zelfs vee eet het van nature bij pijn. En niet onbelangrijk: wilgenhout houdt veel CO2 vast.
De knotwilg is een natuurlijke schoonheid, knoestig en weerbarstig. Met een bijzondere kleurrijke bast, voorzien van een takkenpruik van ranke wilgentenen.


DE TOEKOMST

De knotwilg moet in de toekomst blijven bestaan. In tijden van economische groei, waarin efficiency voor alles gaat, moet de mens daarvoor maatregelen nemen. Het gaat immers om ons karakteristieke landschap.
Zo zijn er meer acties nodig om nieuwe knotwilgen aan te planten en om ze te knotten. Mogelijk kan hierbij een combinatie worden gemaakt met andere zaken die van belang zijn voor het welzijn van de mens. In de buitenlucht actief zijn, is goed. Het uitoefenen van voldoende lichaamsbeweging eveneens, het opdoen van voldoende immuniteit is een must. Combineer al deze gezonde zaken en ga elk jaar, van november tot en met februari, aan de slag. Pas wel op en houdt de veiligheidsregels in acht.

Uniek slagenlandschap

Foto en tekst: Joost Verweij

De ruige veenmoerassen in de Alblasserwaard werden vanaf de 11de eeuw in cultuur gebracht door verwijdering van de begroeiing en de aanleg van een afwateringssysteem. Dit ontginningswerk werd gedaan door kolonisten welke stukken land (kavels) toebedeeld kregen. Deze kavels bestonden uit stroken van ruim 100 meter breed en met een diepte van 1200 tot 3000 meter. De diepte van de ontginningskavels werd bepaald door de ontginningsassen tussen de rivier de Lek, de veenriviertjes de Alblas en de Giessen en de rivier de Merwede.

Door het graven van greppels en sloten en de aanleg van kades en lage dijken werden deze kavels geschikt gemaakt voor landbouw. De langgerekte stroken land werden ook ‘copen’ genoemd en vormden met elkaar het zogenaamde slagenlandschap. Dwars op de greppels en de kavelsloten werden weteringen gegraven, vanaf de dijk gezien waren dit een voorwetering en een achterwetering en bij lange kavels soms ook een middenwetering.

In de lengterichting van de kavels werden oude waterlopen verbreed of nieuwe gegraven (vliet) voor directe afwatering op de rivieren of afvoer van het water via veenriviertjes naar de randen van de waard waar het water direct op de rivieren de Merwede en de Lek werd geloosd.

Rond 1270 werd de ontginning als voltooid beschouwd en was sprake van een natuurlijke afwatering, waarbij het overtollige water naar de laagste delen van de waard stroomde. Dit kwam door de afhelling binnen de waard van oost naar west waarbij de westelijk gelegen delen hinder ondervonden van het overtollige water uit de oostkant van de waard zoals de hoger gelegen Vijfheerenlanden.

De ontginning van de veengronden heeft de Alblasserwaard haar bijzondere karakter gegeven met de verschillende watergangen, de molens, de sluizen en gemalen en de monumentale boerderijen. De ontginningsblokken (slagenlandschap) leverde nieuwe landbouwgronden op en vormde de basis van de dorpen langs de veenriviertjes met hun kenmerkende lintbebouwing. Deze dorpen hebben samen met de dijkdorpen hun oorspronkelijke landelijke karakter grotendeels behouden.