Rond het jaar 1000 was het gebied dat we nu als de Alblasserwaard kennen een moerasgebied waar leven en wonen nauwelijks mogelijk was. Het is de periode vóór de ontginning van de streek, ingeklemd tussen de huidige rivieren Merwede en Linge aan de zuid- en zuidoostkant, Lek aan de noordkant en de Noord aan de westzijde. Door de lage ligging van De Alblasserwaard hadden de rivieren rondom het gebied vrij spel, de Waard stond regelmatig onder water.
Aan het eind van de 10e eeuw voltrokken zich in West-Europa grote sociale veranderingen, volksstammen kwamen in beweging en vestigden zich in de Lage Landen. Deze kolonisten leefden van de jacht en de visserij. Stukje bij beetje ontgonnen zij het gebied door het graven van sloten en het kappen van houtopstanden en vormden het om tot een gebied van velden en akkers, waarop de eerste boeren zich vestigden. Tijdens deze ontginningsperiode, die tot circa 1300 duurde, werden kaden en dijkjes aangelegd om het in cultuur gebrachte land tegen instromend water vanuit de grote rivieren, veenriviertjes en -stromen te beschermen.
Door de ontginning verbeterde de ontwatering en daarmee de bruikbaarheid en bewoonbaarheid van het gebied. Maar de ontwatering zorgde er ook voor dat de bodem verder daalde doordat het gedurende eeuwen gevormde dikke veenpakket uitdroogde en in volume afnam.
Als gevolg van de inklinking van de bodem, waardoor de uitwatering steeds moeilijker werd, en door de rivieroverstromingen, vooral in de periode tussen 1265 en 1280, nam in de 13e eeuw de wateroverlast toe. Op verzoek van de heemraden in de Alblasserwaard verleende Floris V, graaf van Holland, ook wel ‘der keerlen god’, god van de boeren genoemd, toestemming tot het instellen van een centrale dijkzorg, waarbij de autonome zeggenschap van de lokale landsheren werd overgedragen aan een dijkscollege. Op 31 maart 1277 werd blijkens een door Floris V met zijn handtekening bekrachtigde oorkonde uit dat jaar het Hoogheemraadschap van De Alblasserwaard opgericht.
Het kaartje van de “Lande tussen de Watere van de Lecke ende Donck” dateert niet uit 1277, zoals het opschrift aangeeft. Het kaartje is in 1892 gemaakt door L.A. Langeveld en C.A. Verheij. Het is een reconstructie van de dijken die in 1277 onder centraal gezag werden gesteld. Buiten de eerste dijkring valt het gebied ten westen van de Zijdewende, grofweg tussen Oud-Alblas en Streefkerk, alsmede het gebied tussen de zuidelijke Giessenoever en de Merwede, waar Giessen-Nieuwkerk (tot aan Hoornaar ‘Hornedamme’) en Hardinxveld lagen. Beide laatste gebieden sluiten zich 4 jaar later bij de dijkring aan. Voor het gebied ten westen van de Zijdewende duurt dat tot circa 1320. Een aparte bedijking had het gebied van Arkel met Gorinchem, Schelluinen, Hoornaar en Hoogblokland. Dit gebied stond later bekend als Het Land van Arkel beneden de Zouwe. Hier had Jan van Arkel het voor het zeggen en vormde zijn eigen dijkscollege zonder inmenging van de graaf van Holland. Het zou tot 1857 duren dat ook dit gebied werd samengevoegd met de dijkring van De Alblasserwaard.
